Het schooljaar begint weer. Alles terug naar de stand ‘normaal’. Ik ken in ieder geval éen wezen dat daar heel erg blij mee is. Mijn kat. Het is, zoals zoveel katten eigenlijk een hu, maar omdat we bij mensen ook niet over een hu spreken als ze gesteriliseerd zijn, spreek ik over onze Punt als een zij. Zij is een zij. Zij is ook wel de liefste poes van de wereld. Dat niet alleen, Puntje is ook nog eens een goed opgevoede poes. Ze doet haar behoeften in de bak en vervuilt geen andere tuinen. De oproep op mijn Nextdoor waar iemand vroeg zijn beesten binnen te houden, begrijp ik maar al te goed.

En voor alle hondenliefhebbers: ja, ik vind ook dat er belasting op katten moet komen. En oh, ja, ik hou ook erg van honden maar vind het hebben van honden in de stad eigenlijk misdadig. Honden moeten ruimte hebben, moeten voortdurend bij hun roedel kunnen zijn en niet bang hoeven zijn voor auto’s. Kunnen rennen, eten van paardenpoep en dat soort dingen.
Ik ben een kattenmens. Ook zonder de uitzending van Jinek (NPO1, 21 juli 2017) durf ik dat al zeker 37 jaar hardop te zeggen. En misschien is het hebben van katten net zo misdadig als het houden van honden maar hun onafhankelijke opstelling en het feit dat ze alleen kunnen zijn, maakt het voor mij net wat anders. Dat het goed is voor kinderen om je te verbinden met een dier, om te leren dat je rekening moet houden mét, dat je met beesten in huis leert om te zorgen, ach, dat weten we gelukkig allemaal.

Zevenendertig jaar geleden kreeg ik, met mijn toenmalige geliefde, onze eerste katten. Willem, een grote geheel zwarte, toen nog niet zo heel erge, stoere man en Miepje een klein grijs streepje dat zich volledig veilig voelde als Willem in de buurt was maar een bang vogeltje werd, als hij maar een paar meter van haar af was. Hun verhaal was vreselijk: achtergelaten in een doos in het bos met vier andere broertjes en zusjes en net op tijd gevonden. Het mooiste paar dat ik ooit gehad heb, Broer en zus. Willem stierf in mijn armen. Miepje was ontroostbaar en stierf een paar weken later.

Daarna kwamen er veel andere door de dierenarts liefdevol gecategoriseerd als stratier (spreek het uit op z’n Frans [straathjee], straatkat) waarvan ik allemaal evenveel gehouden heb. Spikkel is tot nu toe gelukkig de enige kat die op een onbewaakt moment tegen tramlijn 1 is aangelopen en die ik van de straat heb geveegd en voorzichtig in een doos heb gedaan om haar daarna te laten ophalen door de dierenambulance. (Wat hebben we het in Nederland toch allemaal goed geregeld) Er waren de kindjes van Grijs en er was de grote Grijs zelf. Zij liep almaar naar de Bilderdijklaan hier achter, werd vervolgens ‘gered’ door een buurman die dan graag mét poes, even een kopje koffie kwam drinken. Ach ja, ik was jong en alleenstaande moeder, met katten.

Er was Natousch, vernoemd naar een dochter van een van de Golden Earringleden die op school zat met mijn zoon. Zij was de eerste van onze katten met een nestje. Slechts twee kreeg ze er die ze in 2001 wierp in de la met pyjama’s. Puntje, de kat die blij is dat de vakantie is afgelopen, kreeg ook kleintjes. Op een stoel. Een ervan viel eraf en heb ik moeten reanimeren. Dat was het moment dat grote Grijs steeds vaker weg liep en dat Vlek, onze grote stoere kater kennelijk ook dacht ‘zo’n huis met zoveel katten dat is mij teveel’. En zo verdwenen Grijs en Vlek uit ons leven. Vlek meen ik nog weleens te zien al is het al een ontelbaar aantal jaar geleden dat hij definitief niet meer terugkwam. Ik zie mij nog bijna huilend nachten tussen drie en vier, het rustigste moment, met brokjes door de straten lopen. Ontroostbaar.

Maar voor Punt, met haar dertien jaar een bejaarde dame, is nu de periode van alleen zijn en onrust voorbij. Gewoon weer op schoot als het ontbijt wordt gegeten, gewoon op schoot in de favoriete houding voor de tv en lekker in bed, liefst onhandig tussen ons in, als er geslapen moet worden.

Leve de schooltijd.

Yvonne Hagenaars