‘Steeds weer lopen we gulzig in de bijna onvermijdelijke val, menen kortstondig materiële of zingevende troostformules te ontdekken om daarna al snel weer op zoek te gaan vanuit een nieuw, groeiend, onbestemd verlangen.’ Deze woorden kunt u aantreffen in de catalogus die het zomerfestival in het piepkleine plaatsje Watou, begeleidt. Ze zijn geschreven door Jan Moeyaert, de intendant van het Kunstenfestival in Watou.

Watou. (Spreek uit ‘wattoe’) Het is een plaatsje in België met twee bierbrouwerijen, met inmiddels meer dan zes hotels waarvan een dat door het Belgisch koningshuis bezocht wordt met wel een kleine 1900 inwoners. Op de grens met Frankrijk heeft het vanaf 1100 een zeer rijke geschiedenis. Maar zoals zovele dorpen zou het volstrekt onbekend en ook leeg gelopen zijn, als er niet sinds 1980 actief aan kunst wordt gedaan. Sinds 1980 is het jaarlijkse Poëziefestival, de jaarlijkse poëziezomer van Watou en nu dus het Kunstenfestival, een feit. En zo zie je wat kunst vermag. En zoals alles wat van waarde is en weerloos blijkt, moet ook dit kunstenfestival ieder jaar opnieuw bedelen en sappelen om geld los te krijgen, terwijl het door dit festival is dat Watou als gemeenschap nog ‘leeft’.

Vanaf 1980 worden er gedichten opgehangen, ingesproken, begraven en onthuld op de meest bijzondere plaatsen. Naast een ezelhok kun je ineens een gedicht vinden. Liggend in het gras kun je luisteren naar de stem van Hugo Claus. En naast al die gedichten verspreid over het dorp is er ook beeldende kunst.

Het is mijn zomerbedevaart. Ik kom er al zo’n 25 jaar en iedere keer ben ik weer verrast. En natuurlijk niet alleen verrast maar ook verstild. De plekken waar kunstenaars beelden maken, films laten zien, installaties ontwerpen zijn nooit dezelfde. De schuren, schoollokalen en verlaten(?) huizen hebben niks van de gladde en serene rust van musea. Soms stinkt het naar vocht of beestenpoep. Je loopt van het dorpsplein naar een aantal locaties waarvan het Douviehuis en de kerk er vaak twee zijn. Ik ontdek er mijn lievelingsdichter Herman de Coninck.

Toen ik er voor het eerst kwam, liep ik er bijna alleen. Er was éen terras. Als je er kwam leek je wel onderdeel van een geheim genootschap. Iedere landelijke Nederlandse krant had wel een recensie (tot op het jaar van vandaag is dat zo) maar maar weinig mensen zochten de weg naar het zuiden van België. Anno 2018 kan je soms niet parkeren, struikel je over de fietsers en zijn er zeker vijf terrassen. Die toename van mensen gun je natuurlijk ieder dorp. Want dat betekent economische welvaart. En voor de bezoeker? Je kunt altijd nog wel het gevoel van eenzaamheid of alleen-zijn beleven.

Het woord serendipiteit zal ik nooit meer vergeten: iets vinden terwijl je er niet naar zoekt. Het was een van de thema’s die het festival meekreeg. Dit jaar is het thema  verlangen en troost. Vindt u dat hier in Watou? Tot en met het weekeinde van 2 september kunt u dat nog zelf gaan beleven.

Yvonne Hagenaars

Rust wel

Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel.

Het is nog lang niet straks.

En wees niet bang, wij zijn het maar.

 

Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel.

Wij spreken elkaar nog

voor de klok het licht uitlegt.

 

Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel.

Wij zien elkaar nog

voor de laatste lettergreep ons zegt.

 

Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel.

Wij ademen even

en zingen ons intussen ademloos.

 

Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel.

Het is nog lang niet straks.

En wees niet bang, wij zijn het maar.

 

Bernard Dewulf

 

www.kunstenfestivalwatou.be