Feyenoord.

Zo.

Dat staat er. Alle fans van alle andere landelijke clubs kijken nu een andere kant op? Ik hoop het niet. Ik hou van Feyenoord en ik begrijp dat u dat ook doet want in een jaarlijks groot consumentenonderzoek blijkt dat Feyenoord meer een Hollands merk wordt genoemd dan Ajax ofzo. Echt Nederlands net als de HEMA.

Maar ik hou niet zomaar van Feyenoord. Oorspronkelijk kom ik uit Rotterdam. Alle coupletten van ‘hand-in-hand’ kon ik zingen toen ik zes was. Ik ging met mijn vader mee als hij ging scheidsrechteren. Ik keek naar mijn oom die bij Feyenoord speelde.

Ik hou van voetbal. Ik hou ervan om ernaar te kijken, ik hou ervan om het te spelen al kan ik er niks van. Bij mij maar een keer in de week bord op schoot, namelijk op zondagavond om zeven uur.

Ik kan het zweet in de handen krijgen, vroeger samen met mijn vader, nu samen met kinderen en geliefden als de club waar ik voor ben, dreigt te gaan verliezen. Nog erger heb ik het zweet in de handen als mijn cluppie dreigt te winnen. Pfff, adembenemende tijden dus voor mij, deze competitie. Als er bekenden spelen ben ik niet te houden en lopen geliefden van mij even weg om iets ‘te gaan halen’ omdat ze zich dood schamen, vrees ik, voor mijn enthousiaste maar luide toejuichingen.

Dat is de mooie kant. Maar er is ook een heel andere kant. De kant van het ongelooflijk, soms racistische gescheld, zeg maar gerust gekanker op de tribunes in de kantine op het veld. De kant van het bewust gekozen geweld. De vechtpartijen die de supporters onderling afspreken op afgelegen plekken. De kant van de ouders die spelers ophitsen om zich als kleine schoffelaars te gedragen ‘schop hem lek’. De jongens in mijn klassen die als ik zeg ‘de scheidsrechter is altijd de baas’ mij dan stomverbaasd aankijken. Daar begrijp ik allemaal niets van, je niet aan de regels houden die het leven zoveel leuker maken.

Als dan over al dat onfatsoenlijke gedrag wordt gezegd  ‘ja, maar dat bedoelen ze niet zo’, lig ik los. Ronduit verbijsterd ben ik als ik een serieuze wetenschapper hoor zeggen ‘Vechten? Dat hebben die mannen gewoon nodig, ze missen het dat ze elkaar niet kunnen doodslaan.’

Of is dit iets als ‘de mensen doen net alsof ze niet meer weten wat fatsoen is.’ De uitspraak van mijn moeder naar aanleiding van de uitslag van de presidentsverkiezingen in Amerika. Is het doen alsof?

Laat ik het daar maar op houden. Dat ze het even vergeten maar het zo weer terughalen. Want de mooie kant is vandaag 20 november als ik de sterretjes zie die de supporters op de tribune bij duizenden afsteken voor de overleden moeder van Vilhena. Daar blijkt dan meer dan fatsoen uit.

Yvonne Hagenaars