Het is al weer een aantal weken geleden dat de undercoverbeelden in het BPRC in Rijswijk voor landelijke en internationale beroering zorgde. Naar aanleiding van deze beelden in het apenonderzoekscentrum en in reactie op vragen van RijswijksBelang is het College van Rijswijk bereid om bij de minister aan te dringen op onderzoek naar misstanden.

“Het BPRC is het grootste apenonderzoekscentrum van Europa en valt onder Internationale, Europese en tevens landelijke wet- en regelgeving (Wet op Dierproeven).“ Met deze zin zegt het College in haar schriftelijke beantwoording dat de handen gebonden zijn en dat Rijswijk niet veel aan de situatie bij het Biomedical Primate Research Centre kan doen. “Het Ministerie van OCW is het overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor controle en toezicht op een juiste naleving van de Wet op Dierproeven. Als er misstanden in het BPRC plaatsvinden dan behoren deze aan het Ministerie van OCW geadresseerd te worden. Wij hebben als college geen enkele bevoegdheid om hier op in te kunnen grijpen.”

Het College heeft bij het ministerie wel geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot dit dossier. Hieruit werd duidelijk dat het BPRC een plan van aanpak opstelt dat voor 1 januari 2019 wordt ingediend bij het Ministerie van OCW. Dit plan, inclusief reactie van de minister, moet in het eerste kwartaal van 2019 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Verder geeft het College aan dat de minister de Kamer in mei 2018 heeft toegezegd om in het BPRC het aantal dierproeven met apen af te bouwen én de kolonie apen bestemd voor dierproeven door geboortebeperking te verkleinen. Sluiting van deze ‘Apenhel in Rijswijk’, zoals Marc Weterings van RijswijksBelang het BPRC in zijn vragen noemt, is niet aan de orde, maar het College doet wel een toezegging: “Het College bevindt zich niet in de positie om bij het Rijk aan te dringen op sluiting. Het College is wel bereid om bij de Minister van OCW aan te dringen om te onderzoeken of de gepubliceerde misstanden een overtreding zijn van de Wet op Dierproeven en indien dit het geval is, het Ministerie te verzoeken hierop te handhaven.”