Een inbraak in een bedrijfspand bij de Haagse Megastores mondde uit in een wilde achtervolging door Den Haag en Rijswijk, waarbij vanuit de vluchtauto meerdere schoten werden gelost. Vier mannen kwamen uiteindelijk in beeld als verdachten. Twee van hen zijn nu door de rechtbank vrijgesproken van betrokkenheid bij de poging tot diefstal.
De zaak begon bij een bedrijfspand in de omgeving van de Megastores. Nadat daar een inbraak was gemeld, gingen de verdachten er volgens justitie met een auto vandoor. De politie zette de achtervolging in, die zich vervolgens over verschillende wegen in Den Haag en Rijswijk verplaatste.
Tijdens de vlucht ontstond een bijzonder gevaarlijke situatie. Vanuit de auto waarin de verdachten reden, werden meerdere schoten gelost. De achtervolging trok daardoor veel politie-eenheden en zorgde onderweg voor gevaar voor agenten en andere weggebruikers.
De vier inzittenden werden uiteindelijk aangehouden en het Openbaar Ministerie verdacht hen van betrokkenheid bij de gebeurtenissen rond de inbraak. Bij de behandeling van de strafzaak moest echter per verdachte worden vastgesteld of er voldoende bewijs was dat hij daadwerkelijk betrokken was geweest bij de poging tot diefstal.
Voor twee van de vier mannen bleek dat bewijs volgens de rechtbank onvoldoende. Zij zijn daarom van dit onderdeel van de verdenking vrijgesproken. Dat zij zich in de vluchtauto bevonden, is op zichzelf niet voldoende om vast te stellen dat zij ook daadwerkelijk aan de poging tot diefstal hebben meegewerkt.
De achtervolging en de geloste schoten spelen daarnaast een belangrijke rol in de strafzaak. Daarbij moet worden gekeken wie waarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. De gebeurtenissen tijdens de vlucht staan juridisch los van de vraag of iedere inzittende ook bij de oorspronkelijke inbraak betrokken was.
De zaak laat zien dat een spectaculaire politieachtervolging waarbij meerdere verdachten worden aangehouden niet automatisch betekent dat alle inzittenden voor dezelfde strafbare feiten kunnen worden veroordeeld. Voor iedere verdachte moet afzonderlijk voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig zijn.