Het onderzoekscentrum in Rijswijk blijft de komende jaren gebruikmaken van apen voor wetenschappelijk onderzoek. Volgens de betrokken onderzoekers zijn de proeven op dit moment nog noodzakelijk om nieuwe medicijnen en behandelingen veilig te kunnen ontwikkelen.
Tegelijkertijd klinkt de oproep om fors meer te investeren in alternatieve onderzoeksmethoden, zodat het aantal dierproeven in de toekomst verder kan worden teruggebracht.
Binnen het onderzoekscentrum worden apen ingezet voor onderzoeken naar onder meer infectieziekten, vaccins en andere medische behandelingen. Onderzoekers benadrukken dat dergelijke proeven alleen plaatsvinden wanneer er volgens de wet geen geschikt alternatief beschikbaar is.
Vooraf moet bovendien uitgebreid worden aangetoond dat het onderzoek noodzakelijk is en dat de verwachte medische voordelen opwegen tegen de belasting voor de dieren. De discussie over dierproeven blijft gevoelig. Dierenwelzijnsorganisaties pleiten al jaren voor een snellere afbouw van proeven met apen en wijzen op de mogelijkheden van moderne technieken, zoals onderzoek met menselijke cellen, organoïden, computermodellen en kunstmatige intelligentie. Volgens hen kunnen deze methoden in steeds meer gevallen dierproeven vervangen.
Wetenschappers erkennen dat deze alternatieven veelbelovend zijn, maar stellen dat ze nog niet in alle situaties voldoende betrouwbare resultaten opleveren. Juist daarom wordt gepleit voor extra investeringen in de ontwikkeling en validatie van proefdiervrije technieken. Zodra wetenschappelijk is aangetoond dat een alternatief dezelfde betrouwbare resultaten biedt, kan het gebruik van proefdieren verder worden verminderd.
De ambitie om het aantal apenproeven terug te dringen blijft daarmee overeind. Tot die tijd zal het onderzoekscentrum in Rijswijk echter doorgaan met onderzoek waarbij apen worden ingezet, zolang daarvoor volgens de geldende wet- en regelgeving een wetenschappelijke noodzaak bestaat.