Beter voor Rijswijk en Rijswijks Belang herkennen zich niet in het beeld dat wordt geschetst over de huidige situatie binnen de Rijswijkse coalitie. Fractievoorzitters Alice Prenger en Annemie Koegler-Böhm stellen dat verschillende conclusies als feiten worden gepresenteerd, terwijl de politieke werkelijkheid volgens hen genuanceerder ligt.
Centraal staat de positie van wethouder Jaap Finke. Volgens beide fractievoorzitters is Finke door de gemeenteraad benoemd en geniet hij nog steeds het vertrouwen van Beter voor Rijswijk en Rijswijks Belang. Zij wijzen erop dat ook VVD en CDA eerder vertrouwen in de wethouder hebben uitgesproken.
Prenger en Koegler-Böhm benadrukken daarnaast dat Wij. Rijswijk uiteindelijk zelf heeft besloten uit de coalitie te stappen. De overige coalitiepartijen wilden volgens hen verder op basis van het coalitieakkoord ‘Duidelijkheid & Daadkracht’, met Finke als wethouder.
Ook plaatsen de twee fractievoorzitters vraagtekens bij de kwalificatie ‘gunzetel’ voor de positie van Tinus Kaffa. Zij wijzen erop dat een gekozen raadslid zelf bepaalt hoe hij zijn mandaat invult. Kaffa heeft aangegeven het coalitieakkoord te onderschrijven en het college te steunen.
Dat een stemming tijdens een raadsvergadering door de afwezigheid van een raadslid in 16-16 eindigde, betekent volgens Beter voor Rijswijk en Rijswijks Belang niet automatisch dat het college onvoldoende slagkracht heeft. De partijen vinden het bovendien voorbarig om te speculeren over mogelijke toekomstige afwezigheid van raadsleden.
Prenger en Koegler-Böhm betreuren dat wat zij omschrijven als een interne kwestie binnen Wij. Rijswijk uiteindelijk heeft geleid tot het vertrek van meerdere mensen bij die partij en vervolgens tot het besluit om uit de coalitie te stappen.
Voor beide partijen verandert daarmee naar eigen zeggen niets aan de opdracht voor de resterende bestuursperiode. Zij willen rust bewaren, gemaakte afspraken nakomen en doorgaan met het uitvoeren van plannen voor Rijswijk. “Niet de beeldvorming, maar de feiten moeten leidend zijn”, besluiten Prenger en Koegler-Böhm hun gezamenlijke reactie.